Het staat er toch echt. Marc Lamers, woordvoerder van de WUR, stelt in een interview op de site Communicatie Online dat persvoorlichters de rol van journalisten gaan overnemen. Het interview kwam met enige vertraging bij mij terecht. Omdat ik om diverse redenen zijn ideeën het bestrijden waard vind, hier alsnog een reactie.

Lamers stelt in het interview vast dat de conventionele journalistiek onder druk staat en dat journalisten hierdoor minder tijd hebben voor gedegen onderzoek. Dit maakt het voor hem en zijn vakgenoten moeilijker om feiten goed naar buiten te krijgen. Bovendien is het publiek van de oude media een uitstervende bevolkingsgroep. Tot dusver kan ik hem volgen. In zijn oplossing ontspoort hij. Hij stelt dat het persvoorlichters zijn die de rol van journalisten op zich nemen.

Hybris

Ten eerste denk ik dat de ideeën van Lamers van weinig zelfinzicht getuigen. Universiteiten doen het graag zelf. In de afgelopen jaren zijn de communicatieafdelingen aldaar steeds meer zelf filmpjes, blogs en nieuwsberichten gaan maken. Het niveau laat vaak te wensen over. Ze steken er duidelijk veel tijd in, maar de communicatieafdelingen leggen het in de constante informatiestroom af tegen de kwaliteit van professionele mediabedrijven en missen de creatieve energie van het 17-jarige vloggende neefje.

Nu kun je hierop antwoorden dat het een kwestie is van de juiste mensen aantrekken. Gewoon ervaren professionals in dienst nemen. Vermoedelijk gaat dit niet werken. De stap van journalistiek naar the dark side gaat doorgaans gepaard met een verlies aan vrijheid. Als voormalig journalist moet je in dienst van de universiteit rekening houden met het meerjarenplan van de organisatie. Je moet dansen naar de pijpen van mensen zonder journalistieke ervaring hoger in de universitaire boom. Je doet je werk goed als je zaken produceert die op de goedkeuring van je collega’s kunnen rekenen. Als alle vinkjes zijn gezet. Het voortbestaan van je baan hangt niet af van of wat je maakt werkt in de buitenwereld, maar of je werk past binnen de kaders die je van bovenaf opgelegd hebt gekregen. Output doet er meer toe dan impact. Daartegenover staat dat het voortbestaan van mediabedrijven afhangt van hun vermogen te voorzien in een behoefte die leeft onder de klanten. Als je geen dingen maakt of diensten levert waar mensen voor willen betalen, is het snel gedaan met je bedrijf.

WC-eend

Ten tweede denk ik dat, hoe goed de bedoelingen aanvankelijk ook zijn, je niet kunt voorkomen dat Lamers initiatief ontaardt in propaganda. Would you bite the hand that feeds? Universiteiten gaan door externe prikkels steeds meer op bedrijven lijken. In de concurrentie om studenten en onderzoeksgeld is behoud van het imago soms belangrijker dan de waarheid of de vrijheid van meningsuiting. NRC onthulde recent dat de WUR na klachten van een projectontwikkelaar een te kritisch filmpje offline haalde. Na deze publicatie in NRC zette de universiteit het bericht (in aangepaste vorm) weer online.

De soms gespannen verhoudingen tussen communicatieafdelingen en universiteitskranten leidt tot terugkerende zorgen over de onafhankelijkheid van de universitaire pers. Toenemende financiële onafhankelijkheid van de universiteit maakt het de kranten lastig om hun waakhondfunctie uit te voeren. Zo zat de Rijksuniversiteit Groningen niet te wachten op kritische berichten van de Universiteitskrant (UK) over de inmiddels afgelaste plannen voor een Chinese campus en bemoeilijkte Tilburg University berichtgeving over Diederik Stapel in Univers. Als universiteiten het al lastig vinden om hun voor onafhankelijke berichtgeving opgerichte kranten vrij te laten, belooft dat weinig goeds voor de persvoorlichter-journalist.

Vertrouwen

Ten derde denk ik dat Lamers’ idee het vertrouwen in de wetenschap geen goed gaat doen en bijdraagt aan een verdere polarisering van de samenleving. Met het vertrouwen in de wetenschap zit het nog relatief goed, stelt hij. Dat klopt als je kijkt naar de bubbel waar het werk van persvoorlichter-journalisten terecht zal komen. Onder hoogopgeleiden (waaronder de groepen die commercieel interessant zijn voor de universiteit als potentiële studenten, alumni, potentiële samenwerkingspartners en subsidieverstrekkers) is het vertrouwen in de wetenschap hoog. Onder laagopgeleiden is het veel lager.

Bovendien bestaat er een onderscheid tussen het vertrouwen in de wetenschap als methode en het vertrouwen in de instituties. Bij klimaatcritici en antivaxxers is er aan het eerste geen gebrek, maar ontbreekt het tweede. Voor het onderbouwen van hun standpunt shoppen ze kundig selectief in de wetenschappelijke literatuur. Wetenschappers of instituten die het met hen oneens zijn, zijn fout en onderdeel van het complot. De vraag is hoeveel waarde zij aan informatie hechten die de universiteit via persvoorlichters als feiten naar buiten brengen.

Lamers stapt met verdacht veel enthousiasme in het gat dat de journalistiek openlaat. Daarmee claimt hij een rol die de wetenschappers zelf toebehoort. Ik denk dat vertrouwen pas kan worden hersteld wanneer wetenschappers zelf in gesprek gaan met critici en twijfelaars. Zij kunnen stereotypen ontkrachten, laten zien wat wetenschap is en hoe wetenschappelijke kennis zich verhoudt tot de mening van de buurvrouw. Tegelijk krijgen ze hiermee een reality-check uit de samenleving. In de afgelopen jaren heb ik onder wetenschappers de bereidheid zich te mengen in de strijd om de publieke opinie zien groeien. Wetenschappers willen naar buiten treden en wachten niet langer op goedkeuring. Aan Lamers en collega’s rest de schone taak hen hierin te ondersteunen.