Home > ARTIKEL > Waarom eten we eigenlijk zeevoedsel?
ARTIKEL

Waarom eten we eigenlijk zeevoedsel?

Met wat studievriendjes kwam in de kroeg onlangs het dieet van Jort Kelder ter sprake. Die is blijkbaar pescotariër. Hij eet geen vlees, maar wel vis. Dat is natuurlijk heel goed voor het milieu, maar evolutionair gezien is het best raar. Het eten van vis en schelpdieren door een primaat, ook al loopt ie op twee benen, is zeldzaam.

Onze naaste levende verwanten, chimpansees en bonobos, vissen niet. En onze uitgestorven neefjes, de Neanderthalers, aten ook al nauwelijks zeevoedsel. Het eten van schelpdieren en vis wordt soms gezien als één van de karakteristieke kenmerken van modern menselijk gedrag. Onze voorouders begonnen pas heel recent met het exploiteren van de kust, waarschijnlijk pas tijdens de laatste ijstijd.

Enfin, u begrijpt, voordat je het weet ben je een aantal biertjes verder en beschrijf je paardenjacht door Neanderthalers. En hoe ongezond de eerste boeren wel niet waren. Maar wat wij allemaal wel eten en wat niet, dat is helemaal niet voor de hand liggend. Waarom wel garnalen, maar geen insecten bijvoorbeeld? Ons dieet is voor een groot deel cultureel bepaald en gemakkelijk te manipuleren. Met gewiekste reclamecampagnes voor bijvoorbeeld hamburgers en frites, of juist lekkere maaltijdshakes. Hoe zat dat nu met de evoluerende moderne mens? Waarom en wanneer gingen we zeevoedsel eten?

Het klimaat als archeologische spelbreker

Wanneer we begonnen zeevoedsel te eten, lijkt het makkelijkst uit te vinden. We kijken gewoon op welk moment we zeevoedsel op archeologische vindplaatsen zien verschijnen en klaar!

Dat valt helaas vies tegen. Door klimaatverandering in het verleden is een deel van onze vindplaatsen verdwenen. Wij leven nu in een warme periode, een tussenijstijd. Tijdens de vorige warme periode, die duurde van 130.000 tot 115.000 jaar geleden, was de zeespiegel vijf meter hoger dan nu. Toen zijn een heleboel oudere vindplaatsen overstroomd en vernietigd.

In ijstijden is de zeespiegel dan weer veel lager dan nu (soms meer dan 100 meter). Dus veel ijstijdvindplaatsen waar men vis at, zijn nu overstroomd. Misschien lopen wij archeologen hier dus wel aan tegen de grenzen van wat we kunnen beantwoorden? Ik zal hieronder uitleggen dat dat niet zo is. Maar dan moeten we nu natuurlijk niet nóg meer vindplaatsen onder water zetten door ongeremd door te vervuilen.

We lieten de kust eerst 100.000 jaar links liggen

Maar wanneer gingen we nu vissen? Zoals u weet zijn wij, moderne mensen, in Afrika ontstaan. En daar, vooral in Zuid-Afrika, vinden we ook het vroegste bewijs voor het eten van grote hoeveelheden zeevoedsel. Dat gebeurt vanaf het begin van de laatste ijstijd, ongeveer 115.000 jaar geleden. Interessant genoeg zijn de oudste moderne mensen een stuk ouder.

De oudst bekende Homo sapiens-fossielen zijn 300.000 jaar oud. Lange tijd maken die moderne mensen echter soortgelijke werktuigen als Neanderthalers. En de voedselresten op hun vindplaatsen betreffen vooral botten van landdieren en, als we het geluk hebben dat ze niet vergaan zijn, plantenresten.

Op vindplaatsen van ongeveer 160.000 jaar oud in Zuid-Afrika vinden we wat schelpdieren. Maar veel zijn dat er niet, minder dan 100 gram schelpen per opgegraven kubieke meter. En vissenbotten vinden we er helemaal niet. Deze vindplaatsen zijn nog niet zo lang geleden ontdekt en voor ons archeologen was die ontdekking een opluchting. Tenslotte laten ze zien dat de laatste tussenijstijd niet al het eerdere bewijs heeft opgeruimd. We kunnen dus tóch iets zeggen over de ontwikkeling van onze liefde voor zeevoedsel.

Op vindplaatsen tussen 115.000 en 70.000 jaar oud vinden we ineens veel meer schelpdieren. Op een site die ik met collega’s analyseerde gaat het in sommige lagen om 70 kilo schelpen per kubieke meter. Soms lijkt het wel alsof je het zand tussen de schelpen uitgraaft in plaats van andersom.

En nu vinden we ook vissenbotten. Die blijven op de vindplaatsen in Zuid-Afrika zeldzaam. Maar ook grote aantallen zeehonden- en pinguinbotten zijn opgegraven. En soms vinden we zelfs walvisbotten.

Vanaf tenminste 115.000 jaar geleden zien onze voorouders de kust structureel als een plek met lekker eten. Dat is een belangrijke stap, want de kust heeft veel te bieden. Zeker in Zuid-Afrika, waar grote mosselbanken op de rotskusten te exploiteren zijn en waar je regelmatig zeehonden op het strand tegenkomt.

Tijdens de ijstijd gaan we naar het strand

Waarom gaan onze voorouders na meer dan honderdduizend jaar zonder, ineens razend veel zeevoedsel eten?

Een deel van het antwoord is klimaatverandering. Die omslag gebeurt precies tijdens het begin van de laatste ijstijd. In deze periode was de gemiddelde temperatuur misschien maar een graad of twee lager dan tegenwoordig. In Zuid-Afrika worden de omstandigheden daardoor niet eens zo heel erg bar, maar vergis u niet: het kan er in de winter goed vriezen. Er verandert alleen meer dan de temperatuur. Ook neerslagpatronen werden beïnvloed. Daardoor is er tenminste periodiek sprake van droogte. Door die veranderende omstandigheden werden voedselbronnen op het land minder voorspelbaar. Hierdoor werd het interessanter om eens aan de kust te gaan kijken.

In mijn onderzoek heb ik gekeken naar de seizoensmatigheid van de voedselbronnen waar mensen uit konden kiezen. Één van de problemen die jager-verzamelaars het hoofd moeten bieden is “lean meat”. Tijdens het droge seizoen bevat vlees van veel prooidieren nauwelijks vet, want het dier heeft zijn reserves aangesproken. Dat is levensgevaarlijk. De vertering van dit magere vlees kost een mens meer energie dan het oplevert. Zo kun je dus letterlijk sterven van de honger met een volle maag.

Zeevoedsel heeft dat probleem niet. Op een aantal vindplaatsen die ik analyseerde, lijkt het erop dat de exploitatie van zeevoedsel vanaf 110.000 jaar geleden in Zuid-Afrika een seizoensmatig “gat” in de beschikbaarheid van voedselbronnen opvulde. Toen we eenmaal besloten hadden dat zeedieren ook eten waren, werden wellicht ook andere voordelen van belang naarmate we er meer van aten. Onder andere de beschikbaarheid van Omega-3-vetten en Jodium spelen in dit soort discussies een rol.

Als je niet van vis houdt, ben je dan nog wel modern?

Betekent het bovenstaande dat het eten van zeevoedsel één van de bepalende elementen van ons moderne-mens-zijn is? Dat valt vermoed ik wel mee. Maakt u zich dus geen zorgen als u niet van vis houdt.

We zijn namelijk ook weer niet de enige primaten die zeevoedsel eten. Onze naaste verwanten vissen niet, maar bavianen wel. Die weten donders goed dat er bij Kaap de Goede Hoop schelpen te halen zijn. Onderzoek van mijn collega José Joordens aan de collecties van Naturalis laat zien dat zelfs Homo erectus soms schelpdieren at.

Het is daarom niet wát we eten dat kenmerkend is voor onze soort, het is de manier waarop we onze voedselvoorziening organiseren. Door onze culturele flexibiliteit zijn we in staat de gekste voedselbronnen in ons dieet op te nemen. En daartoe bedenken we soms zeer complexe strategieën. Dát is wat onze soort waarschijnlijk onderscheidt van andere primaten en onze uitgestorven neefjes zoals de Neanderthaler. Erg handig voor onze voorouders, die grote veranderingen in klimaat en leefomgeving het hoofd moesten bieden.

In het licht van de huidige klimaatverandering is dat hoopgevend. We kunnen besluiten om er een iets ander dieet op na te houden. Daarmee kunnen we, net als Jort Kelder blijkbaar al doet, onze ecologische voetafdruk verkleinen. Dat klinkt slim voor inwoners van een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt.

Gerrit Dusseldorp
https://www.universiteitleiden.nl/en/staffmembers/gerrit-dusseldorp#tab-1
Gerrit Dusseldorp is een steentijdarcheoloog. Hij deed voor zijn promotie onderzoek naar het jachtgedrag van Neanderthalers. Daarna verhuisde hij naar Zuid-Afrika om de evolutie van modern menselijk gedrag te bestuderen. Recent ontving hij van NWO een Vidi-beurs om zijn onderzoek uit te bouwen. Naast de evolutie van de mens is hij gefascineerd door het gedrag van krokodillen en hyena’s. En door cricket.