De studie naar het Huis Oranje-Nassau en de koloniale geschiedenis verscheen afgelopen vrijdag. Gert Oostindie overhandigde de boekenreeks aan koning Willem-Alexander. Christiaan van Bochove was lid van het onderzoeksteam en onderzocht de koloniale en slavernijgerelateerde investeringen en inkomsten tijdens de zeventiende en achttiende eeuw.
In de zomer van 2023 ontving ik een mailtje van Gert Oostindie, emeritus hoogleraar Koloniale en postkoloniale geschiedenis in Leiden, met de vraag of wij eens konden praten over een onderzoeksproject waar koning Willem-Alexander het initiatief toe had genomen. Het bleek te gaan om het project “Het Huis Oranje-Nassau en de koloniale geschiedenis”, een groot en ambitieus project waarvoor de koning zijn eigen portemonnee had getrokken en waar Oostindie leiding aan gaf.
De onderzoeksresultaten zouden zonder twijfel onder een wetenschappelijk en maatschappelijk vergrootglas komen te liggen; te meer omdat deze in het Nederlands gepubliceerd zouden worden. Na een positief gesprek en een oriëntatie op het onderzoek zegde ik toe één van de deelprojecten voor mijn rekening te nemen: de koloniale en slavernijgerelateerde investeringen en inkomsten van de Oranjes tijdens de zeventiende en achttiende eeuw.
Informatie verzamelen
Maar hoe onderzoek je nu precies zo’n onderwerp uit een al lang vervlogen periode? Een systematische aanpak leek mij in ieder geval cruciaal omdat ik wilde voorkomen dat ik belangrijke publicaties of archiefstukken over het hoofd zou zien. Als wetenschapper wil ik uiteraard altijd goed werk afleveren, maar in dit geval nog net een beetje meer. Ik bracht daarom eerst in kaart van welke investeringen en inkomsten er theoretisch sprake had kunnen zijn. Vervolgens raadpleegde ik bij de universiteitsbibliotheek voor elk van al die mogelijke investeringen en inkomsten de literatuur en zocht ik via het notenapparaat van iedere publicatie naar oudere publicaties die misschien ook nog relevant zouden kunnen zijn.
Via Google Scholar achterhaalde ik bovendien in welke onderzoeken later weer gebruik was gemaakt van de publicaties die ik al had doorgenomen. Hierdoor verzamelde ik geleidelijk veel informatie over zowel de aan- als afwezigheid van investeringen en inkomsten. Dit resulteerde in mijn hoofdstuk in verwijzingen naar niet minder dan 213 publicaties.

Nationaal Archief, Archief van de Nassause Domeinraad (1.08.11), inv.nr. 1258 = De inkomsten en uitgaven in 1770 van stadhouder Willem V.
Bronnenonderzoek
Als historicus vul ik mijn literatuuronderzoek natuurlijk ook altijd aan met bronnenonderzoek. Maar zijn er überhaupt nog wel bronnen uit die tijd bewaard gebleven? Ja, heel veel zelfs. Om te beginnen hadden de Oranjes zoveel bezittingen – vooral landerijen verspreid over de Lage Landen, Duitsland en Frankrijk – dat zij al voor mijn onderzoeksperiode een speciale organisatie hadden ingesteld om alle inkomsten en uitgaven in het oog te houden: de Nassause Domeinraad.
Die Raad deed een deel van het werk zelf, maar besteedde de bulk uit aan rentmeesters die de verschillende bezittingen beheerden. In Den Haag werd alle relevante informatie vervolgens verzameld en een jaarverslag opgesteld. Veel van die verslagen en de achterliggende stukken zijn bewaard gebleven en hebben samen een omvang van 488 strekkende meter. Dit archief werd tijdens het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw geconfisqueerd door de nieuwe overheid en daardoor kunnen al die stukken vandaag de dag door iedere geïnteresseerde bestudeerd worden bij het Nationaal Archief. Tenminste, als zij een plekje in de studiezaal weten te bemachtigen. Toen ik aan mijn onderzoek werkte, was dat vanwege de enorme publieke belangstelling voor het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) over de Tweede Wereldoorlog nog niet eenvoudig.
Paleis Noordeinde
Een van de andere archieven waar ik veel geweest ben, was Koninklijke Verzamelingen. Dit archief is gevestigd in een statig pand in de tuin van Paleis Noordeinde. Je komt er alleen binnen met toestemming, maar die ontving ik als lid van het onderzoeksteam direct. Het is overigens mijn indruk dat ieder ander met een serieuze onderzoeksvraag die toestemming ook krijgt. Maar toestemming alleen volstaat niet: iedere bezoeker moet ook langs het wachthuisje van de marechaussee. Als je niet bent aangemeld of geen identificatie bij je hebt, kom je niet binnen.
Eenmaal binnengelaten tot de paleistuin moet je, anders dan bij de meeste andere archieven waar je gewoon naar binnen kunt lopen, aanbellen bij de enorme deur die toegang geeft tot Koninklijke Verzamelingen. Deze wordt dan steevast geopend door een vriendelijke medewerker die je begeleidt naar de werkkamer. Bij Koninklijke Verzamelingen heeft men namelijk geen studiezaal – zoals in andere archieven – maar een werkkamer. Deze chiquere benaming past eigenlijk wel goed: er zijn maar vier werkplekken – waardoor er altijd een leuk contact was met de andere bezoekers – en de wanden waren voorzien van prachtige schilderijen. Als klap op de vuurpijl werd er op vaste tijden een kop koffie of thee geserveerd. In een apart zithoekje uiteraard, om te voorkomen dat de historische stukken zouden beschadigen.

Nationaal Archief, Archief van de Nassause Domeinraad (1.08.11), inv.nr. 1440 = Omslag van een grootboek uit 1604 met de financiële administratie van stadhouder Maurits
Administratieve boekwerken
In archieven werkt het meestal zo dat ik een aantal stukken aanvraag en er steeds enkele mee mag nemen naar mijn tafel. Voor dit project moest ik echter heel veel stukken door mijn vingers laten gaan om te bepalen of ze relevante informatie bevatten. Soms heb je dat bij het openslaan van het stuk gelijk al in de gaten en soms ben je er na een aantal minuten wel uit. Het gevolg hiervan is dat je steeds opnieuw een medewerker moet vragen om nieuwe stukken. En zeker bij het Nationaal Archief stond er nog weleens een lange rij CABR-onderzoekers bij de balie. De ervaren onderzoeker weet hier wel raad mee en vraagt zoveel stukken tegelijk aan – in mijn geval bovendien vaak heel zware administratieve boekwerken – dat de archiefmedewerkers je het karretje meegeven met daarop alle stukken die zij voor je uit het depot gehaald hebben.
Dit werkte doorgaans prima, maar bij Koninklijke Verzamelingen overbelastte ik de medewerkers er een keertje mee doordat zij die dag toevallig ook druk waren met het verzorgen van rondleidingen. Er werd voorzichtig geïnformeerd of ik van plan was om nog meer stukken aan te vragen. Dat was ik eigenlijk wel, maar omdat ik mij al door een flink aantal karren met stukken had gewerkt, ben ik die middag maar een mooie bergetappe in de Tour de France gaan kijken. Om een paar dagen later met frisse moed te beginnen aan een nieuwe kar met stukken.
Frustrerend
Die frisse moed was zeker aan het begin van het project trouwens wel echt een noodzaak. Het werk was toen namelijk nog behoorlijk frustrerend omdat ik de stukken en de structuur van het archief nog niet helemaal begreep. Ik had bovendien alweer een tijdje niet met zeventiende-eeuws handschrift gewerkt en kon maar moeilijk ontcijferen wat er in de documenten stond. Nadat hetgeen ik als student bij de cursus paleografie had geleerd, geleidelijk weer boven kwam drijven, werd het werken met de bronnen eenvoudiger.
Gelukkig ervaar je als onderzoeker tijdens een project als dit niet alleen tegenslagen, maar ook allerlei historische sensaties. Naast de inhoudelijke vondsten gaat het om heel verschillende dingen. Zo wordt je tafel bijvoorbeeld langzaam vies doordat er heel fijn zand uit de boeken valt dat de schrijver er ooit instopte om te voorkomen dat de inkt zou uitlopen.
Ook het uit de doos halen van een groot boekwerk dat een mooie verstevigde band en een prachtig wapenschild op de voorkant bleek te hebben, hoort bij die momenten. Uniek aan het werken bij Koninklijke Verzamelingen was dan weer dat de rust in de werkkamer onderbroken kon worden door het hoefgetrappel van een paard uit de Koninklijke Stallen waarmee een stukje over het paleisterrein gereden werd. Het hoofd van de ruiter was vanuit het raam van de werkkamer op de eerste verdieping dan nog net zichtbaar.
Breed publiek
Na het lezen van al die publicaties en het doorspitten van stapels archiefstukken was het tijd om de resultaten op papier te zetten. Omdat de tekst voor een breder publiek toegankelijk moest zijn, vergde dat soms een net wat andere werkwijze dan ik gewend was. En de feedback van projectgenoten en kritische meelezers bleken van grote waarde om de inhoud en bewoording aan te scherpen. Hierdoor kon koning Willem-Alexander mijn hoofdstuk na een paar jaar intensief onderzoek, samen met de hoofdstukken van een flink aantal andere collega’s, in ontvangst nemen. En daarmee kan ook het grote publiek eindelijk lezen wat we gevonden hebben.
De publieksversie van het boek Oranje en de koloniën, 1600-2025 is verschenen bij uitgeverij Boom
(ISBN 9789024466818)
De volledige set van drie boeken De koloniale geschiedenis van het Huis Oranje-Nassau is verschenen bij uitgeverij Boom en kost 99,99 euro. (ISBN 9789024422319)
Hoofdfoto:
Javaanse kinderen vieren koninginnedag. Uitgave Zendingsbureau Oegstgeest (Beeld: Universiteit Leiden)
